Factchecken is symptoombestrijding

hqdefault

“Is het verhaal wààr of níet waar?”

Al in 1989 stelde Kurt Van Eeghem de vraag aan zijn verdacht panel van drie wijzen. Op het einde van elke aflevering moest de overgebleven kandidaat namelijk het waarheidsgehalte van hun verhalen inschatten. Merk dus op: de titel van het programma verwees niet naar de kandidaat die de praatjes van het panel moest factchecken. ‘De Drie Wijzen’ verwees naar de praatjesmakers. Neem dat inzicht mee, bij het lezen van deze blogpost.

Goede journalistiek

De praktijk van factchecken maakt natuurlijk al langer deel uit van de moderne, Westerse nieuwsgaring. Wat wel nieuw lijkt te zijn, is de explosie aan op factchecks geënte rubrieken (zoals ‘De Factchecker’ in De Zevende Dag), nieuwsformats (zoals recent n.a.v. uitspraken van regeringsleden Homans en Demir), satirische shows (van The Daily Show tot Zondag met Lubach), niet-journalistieke initiatieven (zoals Facebook steeds explicieter doet) en zelfs ganse organisaties (zoals deze en vele andere in de Verenigde Staten). Tenminste, het ‘lijkt’ nieuw, want ook deze stelling kan best onderworpen worden aan een degelijke factcheck.

Als er inderdaad een plotse of sterke toename is aan media-inhouden die uitsluitend feiten controleren, kunnen we daar enerzijds blij om zijn. In een tijdsgewricht waarin bewindvoerders ogenschijnlijk steeds vaker en zonder blozen feitelijke onwaarheden de wereld insturen, verdient factchecken een sterke investering van tijd, middelen, journalistieke mankracht en media-aandacht. Bovendien bestaat een goeie factcheck naast een eindoordeel (waar/beetje waar/onwaar) vooral ook uit een heldere beschrijving van de methodiek dat achter het oordeel schuilgaat. Zo belicht een factcheck het journalistieke proces doorgaans diepgaander dan andere nieuwsformats, die veeleer uitsluitend aandacht schenken aan het eindproduct. De oproep van VRT-journalist Tim Verheyden om de journalistieke keuken open te gooien ligt in dezelfde lijn.

Anderzijds…

Quote-checken

…is er toch reden tot zorg. De toename van (de gepercipieerde noodzaak aan) factchecken als eigenstandige nieuwsrubriek kan immers ook beschouwd worden als loutere symptoombestrijding. Het is nodig, ja, maar het gaat voorbij aan een dieper liggend probleem, dat als dusdanig niet opgelost zal worden.

Het een en ander wordt snel duidelijk, van zodra je beseft dat de term eigenlijk niet benoemt wat er gebeurt. In een ‘factcheck’ worden namelijk geen feiten gecontroleerd, maar wel stellingen. Persoon X heeft stelling Y verkondigd en de factcheck toetst Y aan het coherente geheel van gekende feiten. ‘Quote-checken’ zou eigenlijk een correctere benaming zijn.

Follow-up

Uit dit potje semantiek volgt dat onze publieke sfeer kennelijk quotes bevat die gebaat zijn bij een a posteriori factcheck (lees: quote-check). Meer zelfs: deze quotes zijn zo prominent aanwezig dat het bestaan van factchecken als eigenstandige nieuwsformat steeds vanzelfsprekender wordt. Dat is problematisch, omdat factchecken hier per definitie een ‘follow-up’ is. Men reageert op een stelling, maar de stelling zelf is er al. Ze heeft haar ingang al gevonden via online nieuwsberichten, de radio- en televisiejournaals en sociale media, en heeft de toon en focus in de publieke sfeer gezet. De stelling is een nieuwsfeit en de factchecker loopt onvermijdelijk achter de feiten aan.

Bovendien zegt een factcheck ook iets over het statuut van de geviseerde quote zelf. Een uitspraak die het maatschappelijke debat niet haalt of maar rakelings mee vorm geeft, zal waarschijnlijk niet leiden tot een allocatie van journalistieke tijd en middelen. Quotes die gecheckt worden, zijn volgens journalisten de moeite waard om gecheckt te worden. De factcheck versterkt zo zelfs, in tweede orde, de journalistieke relevantie van de quote. Als je uitspraak gecontroleerd wordt, kan je gerust zijn dat die een agenda-settende rol heeft gespeeld in het publieke debat.

Ik vind, dus ik ben

Ter herinnering: ik kan mijn analyse niet empirisch staven, dus drink deze blog (nochtans met liefde gebrouwen) met verstand.

Want wat als de diagnose klopt? Wat als de publieke sfeer inderdaad gedreven wordt door verdachte quotes, die er komen op initiatief van de actoren die ze zelf verkondigen? Dan verdienen die quotes inderdaad journalistieke controle, maar ze zijn louter een symptoom van een dieper liggende ziekte. Door steeds sterker in te zetten op factchecken doet de journalistiek vooral aan symptoombestrijding.

Wat is de ziekte dan wel? Sta mij toe om nog een tint negatiever te gaan en te stellen dat het geen ziekte betreft, maar een verslaving. Het is een verslaving aan quotes, opinies, stellingen, controverse. Vergis u niet: we zijn allemaal in hetzelfde bedje ziek. Ik met mijn blog, jij met je share-knop op Facebook, hij met zijn zure tweets op Twitter en zij aan de toog op café. We willen allemaal zo graag van alles ‘vinden’ en we zijn verlekkerd op mensen die ook veel vinden. Wij zijn met zijn allen verslaafd en wij maken allen samen deel uit van de publieke sfeer.

Voorgrond – Achtergrond

Natuurlijk speelt in die publieke sfeer het journalistieke veld een grote rol. Ik geloof niet dat ‘de’ journalistiek de verslaving heeft gecreëerd. Ook zal ik mij niet verleiden tot uitspraken als zou ‘de’ journalistiek enkel teren op quotes. Er is zo veel prachtige journalistiek, die steunt op diepgaand onderzoek, die er enkel en alleen is gekomen op initiatief van journalisten zelf, die zaken onthult en doet bewegen. Recente in het oog springende voorbeelden zijn het grote psychiatrierapport van De Morgen, het dossier over de Belgische uitwijzingsprocedure door De Standaard, de vele ‘-leaks’ waaraan De Tijd meewerkte, de berichtgeving over belangenvermenging in de intercommunales door Apache,… Daarom zijn we minstens die nuance verschuldigd aan de Vlaamse journalistiek.

Toch bekruipt mij soms het gevoel dat er ook wat minder gezond nieuws circuleert, en dat vooral de hij-zegt-zij-zegt-berichtgeving op de voorgrond van het maatschappelijke debat komt. Immers, openen de televisiejournaals niet iets te vaak met de woorden:’Althans, dat zegt mijnheer X’? Zijn er niet iets te veel online artikels met een kop tussen aanhalingstekens?  Wordt er niet iets te snel reacties gesprokkeld? Krijgen politici niet te vaak vrij spel in zondaginterviews, columns en wisselcolumns? Wordt een politieke mededeling, verpakt als Belga-persbericht, niet te vaak verspreid als nieuws? Vormt een tweet van een staatssecretaris niet te snel aanleiding tot een mediarel?

Want ja, politieke en publieke actoren zetten steeds sterker in op sociale media om hun doelgroepen rechtstreeks te bereiken. En neen, journalisten hebben geen volledige controle over de publieke sfeer, gelukkig maar. Wel hebben journalisten controle over hun eigen mediaruimte en die mediaruimte speelt nog steeds een zéér prominente rol in de publieke sfeer. Een tweet waarover niet bericht wordt in het nieuws, heeft nog altijd een kleiner bereik en een veel kleinere impact op het maatschappelijke debat.

Draai de rollen om

Voor mij is het antwoord op bovenstaande vragen: ja. Ondanks de rijkdom aan Vlaamse hoogstaande nieuwsproducten, lijkt het maatschappelijke debat iets te koortsachtig te kloppen op het ritme van meningen, en bovendien op het initiatief van de mensen achter die mening.

Natuurlijk omvat journalistiek ook het weergeven en in contact brengen van verschillende meningen, ideeën en belevingen, zoals Jan Eikelboom prachtig betoogde in De Volkskrant. Maar dat is nog iets anders dan een wekelijkse citaat-oorlog binnen een klein clubje opiniemakers.

Natuurlijk moet de Belga-kraan niet helemaal dicht of moet elk nieuwsbericht zijn oorsprong vinden in de welwetendheid en welwillendheid van de journalist. Journalistiek moet ook de vinger aan de pols zijn. Maar dat is nog iets anders dan een doorgeefluik worden voor politieke mededelingen en public relations.

Natuurlijk leveren factcheckers nuttige en vaak steengoede journalistiek, maar ze vormen slechts een ‘quick fix’ op een dieper liggend probleem en hebben mogelijk zelfs een pervers agenda-settend effect.

Als het journalistieke veld onze gezamenlijke verslaving ten gronde wilt bestrijden binnen de reikwijdte van haar eigen kunnen, lijkt het mij opportuun om terug iets minder mediaruimte te besteden aan meningen en het initiatief van anderen, zodat er meer mediaruimte naar eigen en op feiten gebaseerde berichtgeving en analyse kan gaan. Dit eigen werk is er al, maar kan volgens mij nog (veel) sterker in de kijker komen te staan om zo richting te geven aan het maatschappelijke debat. Laat de politici, bedrijfsleiders, middenveldvertegenwoordigers,… kortom: de publieke actoren vervolgens reageren op de berichtgeving. Laat hén op de journalistiek reageren (of was het nu ‘hun’?) en niet omgekeerd. Draai de rollen om. Herover het initiatief dat de laatste decennia onder invloed van maatschappelijke, economische en technologische factoren geërodeerd is. Herover de mediaruimte die nu al te vaak geofferd wordt aan onze collectieve verslaving, aan mijn verslaving.

Maar dat is natuurlijk maar mijn mening.

Getekend,

een mening-junkie

 

 

Epiloog: You are what you eat

3449678607

Misschien zegt mijn donkere analyse over de gezondheid van het maatschappelijke debat vooral iets over mijn eigen nieuwsconsumptie. Misschien lees ik simpelweg te weinig longreads, kijk ik te weinig reportages en grabbel ik wat te veel in de gratis online informatiestroom (die trouwens voor beginnende nieuwsconsumenten vaak een uithangbord vormt voor journalistiek in het algemeen). Misschien eet ik te veel junkfood en moet ik meer groentjes eten. Misschien moet ik zelf wat meer in de diepte gaan.

Dan rijst echter de vraag hoeveel meerwaardezoekers een publieke sfeer nodig heeft om een zieke bovenlaag te overleven. Anders gesteld: hoeveel ongezonde nieuwsconsumenten kan een publieke sfeer zich permitteren?

Een andere vraag is wie er primair verantwoordelijk is voor de staat van de publieke sfeer: de nieuwsconsument of de nieuwsproducent. In een (al te) optimistisch wereldbeeld laat de nieuwsconsument zijn nieuwsgebruik vooral leiden door gezonde eetgewoontes, lees: een maatschappelijk plichtbewustzijn om zichzelf goed te informeren. De nieuwsproducent voorziet de consument hierin en weet op die gezonde eetgewoonte een businessmodel te enten. In een pessimistisch wereldbeeld wil die nieuwsconsument vooral geëntertaind worden. Ook dan zal de nieuwsproducent de consument daarin voorzien met een bijhorend businessmodel.

Eigenlijk zijn beide wereldbeelden negatief, omdat ze uitgaan van een nieuwsproductie die zich volledig laat leiden door de wensen van de nieuwsconsument. In werkelijkheid zal de nieuwsproducent het evenwicht zoeken tussen de eigen journalistieke waarden en de noden van het publiek, eventueel gemedieerd door commerciële streefcijfers.

In die zin klink ik waarschijnlijk wat oubollig en zelfs paternalistisch als ik stel dat de journalistiek mij wat meer mag beschermen tegen mezelf. Jago Kosolosky, hoofdredacteur van Knack.be, zei recent nog te weigeren om mensen online op te voeden. Het ging toen over (zure) comments en moderatie. Knack oordeelde dat deze zaken niet tot de ‘core business’ van de journalistiek horen en sloot de comments-sectie. Ik ga akkoord met de conclusie van Kosolosky dat comments modereren geen kerntaak moet zijn van de journalistiek. Maar mensen opvoeden, precies door ze te informeren, mag voor mij wél een klein beetje in de functieomschrijving verwerkt zitten, zelfs als kerntaak.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s